Podium voor Bio-ethiek juni 2020 gaat over “Ethiek en politiek van maakbaar meervoudig ouderschap”

Het juninummer van Podium voor Bio-ethiek zal gewijd zijn aan de ethiek en politiek van maakbaar meervoudig ouderschap. Met onderstaande tekst deed de redactie eerder een oproep tot bijdragen.

Met de ontwikkeling van steeds meer vormen van kunstmatige bevruchting is ook ouderschap een meer maakbaar fenomeen geworden. Kinderen kunnen ontstaan met behulp van donorzaad, eicel- of embryodonatie en (IVF)draagmoederschap en in de toekomst mogelijk ook nog op andere kunstmatige manieren. Daarmee ontstaan ook meer diverse vormen van ouderschap en verwantschap, waarbij kinderen naast ouders als opvoeders ook te maken hebben met organisatorisch en technologisch bemiddelde, al dan niet bekende, verwantschapsrelaties.

In een in 2016 verschenen rapport over Kind en ouders in de 21ste eeuw zijn de juridische implicaties besproken van deze ontwikkeling door de Staatscommissie Herijking Ouderschap. De belangen en rechten van kinderen vormen daarbij voor de commissie een belangrijk uitgangspunt. De commissie stelt vast dat met het gebruik van diverse vormen van kunstmatige bevruchting de genetische band tussen ouder en kind niet altijd meer vanzelfsprekend is. Kinderen hebben daarbij in Nederland inmiddels het recht gekregen om hun eigen ontstaansgeschiedenis te achterhalen. Bij dit alles zijn echter niet alleen belangen van het kind in het spel, maar ook die van wensouders en van derden, zoals donoren en/of draagmoeders.

De aanbevelingen van de commissie voor meer flexibele vormen van verwantschapsrecht in dit verband, hebben vooralsnog geen vervolg gekregen. De praktijken waarin kunstmatige vormen van bevruchting en daarmee verbonden meervoudige verwantschapsrelaties tot stand worden gebracht, en de daardoor opgeroepen vragen, zijn nu in de eerste plaats een zaak van de betrokken medici en wensouders. Vanuit de samenleving komen in reactie daarop pleidooien voor een bredere en meer kritische discussie over de ethische kwesties en politieke afwegingen die bij deze ontwikkeling aan de orde zijn (Larissa Pans, Onbeperkt vruchtbaar, 2018).

In hoeverre moet de overheid de ontwikkeling van diverse vormen van kunstmatige bevruchting faciliteren en in hoeverre zouden daar ook grenzen aan moeten worden gesteld? Wat leren de ervaringen met de huidige praktijken ons tot dusver over de betekenis en ethische implicaties daarvan voor diverse betrokkenen? En wat komt er mogelijk nog aan nieuwe technologi-sche ontwikkelingen op ons af, zoals bijvoorbeeld zaad- en eicellen gemaakt van eigen stamcellen?